Jaargang No.3 1989

meelmolen de MOL
Wist u dat er in Limmen een korenmolen heeft gestaan? Vermoedelijk weten de oudsten onder u zich dat nog wel te herinneren en hebben lezers van middelbare leeftijd onder u daarover nog wel eens iets van hun ouders of familie gehoord, maar dat zal u straks wel duidelijk worden als wij u vertellen wat er uiteindelijk met de molen is gebeurd. Maar nu eerst de volgende vragen: Waar heeft de molen gestaan, en sinds wanneer? Een belangrijke aanwijzing geeft ons het bijgaande kaartje dat voorkomt in het boekje Het huis Dampegheest bij Limmen van mr. dr. J. Belonje en dat volgens zijn opgave is ontleend aan een gedrukte kaart van het Hollands Noorderkwartier, door Johannes Douw, landmeter van Rijnland, in 16 bladen van omstreeks 1680.

Kaart van Limmen medio 1680 kruising Hogeweg / kapelweg /Burg.Nieuwenhuijsenstraat te Limmen (Google Eart 2011)
Als u het kaartje, bestudeert dan vindt u een Meel Mole (rood omcirkelt) op het kruispunt van de Mole Laan (de huidige Burg. Nieuwenhuysenstraat), de Lange Walsweg (de huidige Kapelweg) en de Molewegh (de huidige Hogeweg); de molen stond er dus al omstreeks 1680, d.w.z. meer dan vierhonderd jaar geleden en wel aan de westzijde van de strandwal waarop Limmen is gebouwd omdat de molen natuurlijk de nodige wind moest vangen (de huidige bebouwing daar was natuurlijk nog niet of nauwelijks aanwezig). Tussen twee haakjes, de Lange Walsweg ontleent zijn naam aan het ook vroeger reeds veel plaatsvindende afzanden van kavels op de strandwal om dichter bij het grondwater te komen. Na het afzanden ligt de weg dan boven het omringende land als op een wal en vandaar dus de naam: Walsweg. Dit is thans nog te zien aan de westzijde van de Kapelweg. Behalve de plaats van de molen blijkt uit het kaartje hoe oud het huidige wegennet van Limmen en omgeving eigenlijk is. Ook blijkt de locatie van de huizen Dampegheest en Den Burg. De bewoning was vooral geconcentreerd langs de Zuidkerkenlaan, langs de Dusseldorperlaan vanaf het Stet tot aan de Vischweg hoek Oosterzijweg en verspreid langs de Westerweg (vermoedelijk boerderijen). Het was trouwens niet de enige molen in de omgeving. Op het kaartje is een tweede Meel Mole aangegeven op het gebied van Castricum (blauw omcirkelt) en een (water)molen ter hoogte van de huidige Brugstraat. (groen omcirkelt) Dit was vermoedelijk een wipmolen uit omstreeks 1650. De fundamenten zij later gevonden op het land van de familie Pepping. De korenmolen is echter aanzienlijk ouder dan 1680. De eerste kaartvermelding van de molen komt reeds voor op een kaart van Kennemerland getekend in 1614 door Gerrit Dirksz. Langedijk. De eerste tekstvermelding van de molen is gevonden in een z.g. windbrief uit het jaar 1587. Hieronder is de eerste bladzijde van deze windbrief. Omdat het schrift van toen niet makkelijk leesbaar is heeft Piet van der Steen een transcriptie van de windbrief gemaakt.

Windbrief uit 1587
Deze luidt als volgt:
consent van de Windt Koornmolen tot Limmen om Adriaen Rietersz. Bij het vertooch aen de luyden van de reeckeningen in Hollandt, gedaen bij Adriaen Pietersz. en mistcaders die schepenen van Limmen te kennengevende dat denselve Adriaan Pietersz. in de eylanden van Texel gecocht hebbende een kleyne windtmolen ofte koorenmolen van kleyne prijse. 'twelck hij van meynigen zoude zijn binnen de voorsijde dorpe op te rechten ten gerieve van de inwoonderen aldaer. Waertoe hij versocht consent omme den windt te hebben, en voornoemde van de reeckeningen gesyen hebbende het scrijfelick advijs van Hans Kolterman, rentmeester-generael van Kennemerlandt ende Westfriesland, hebbende de suppliant geconsenteerd ende vergundt, consenteeren ende vergunnen hem mits desen de windt tot het voorsijde molenken te mogen genieten ende gebruycken, mits jaerlyks ten gewonen termijnen daer vooren betalende van recognitie tot profijte van de greaffelickheyt, aen hande van de voornoemde rentmeester, ofte andere inder tijt wesende, de somme van drie ponden te 40 groten 'tpondt. Welverstaende dat indyen 't voorsijde molenken deur ouderdom quamen te vergaan ofte omme vallen, ende in de plaetsen van dien een ander grooter molen gestelt werde dat hij suppliant zal mogen bestaen, mis alleene betalende deze voorsijde recognitie.
Des zoo werde den voornoemde suppliant gehouden het voorsijde molenken, ofte de andere molen die daer in toecomende tijden zouden mogen gestelt werden, zulcx te bepaelen ende affheynen, datter ghene mensche noch beeste deur verhindert, noch te beschadigt en werden. Ende indien zulcx gebeurt, zal men hetselve aen hem verhaelen. Ende zal hij suppliant den muldergelt nyet meer mogen nemen ontfangen als zijne naebuyen doen.
Dat oock mede zoo doch ende menichmaal deze molen vercocht ofte vervreemt sal werden de voornoemde graeffelickheyt daer aen behouden zalt haer recht van naekoop. Ende sal deze jaerlicxe recognitie beginnen loop te hebben zoo wanneer 'tvoorsijde molencken gancbaer zal zijn. Tot verseeckertheyt van welkcken jaerlicxe recognitie de voornoemde suppliant gehouden werdt, te lenen aen handen van de voornoemde rentmeester zijn brieven van verbou, daermede hij tot verseeckertheyt van de voorsyde jaerlicxe recognitie ten onderpande stellen zal: 't voorsyde molenke ende werff metten aenlenen vandien.
Aldus gedaen bij burele van der cameren van voornoemde reeckeningen, in den haeghe desen VIIIe may anno vijftienhonderdzeven en tachtig. Consent van windt buyten alcmaer

kruispunt Burg.Nieuwenhuijsenstraat / Kapelweg in 2011 kruispunt Burg.Nieuwenhuijsenstraat / Hogeweg in 2011
Hieruit blijkt o.a. het volgende:
De eerste molenaar van Limmen was Adriaen Pietersz. Hij heeft in 1587, dus ruim 400 jaar geleden, een vergunning voor het gebruik van de wind gekregen en vervolgens een klein model molen gebouwd. (Deze is later door een groter model, vermoedelijk van het type Schagen, vervangen.) Na de inbedrijfsstelling moest hij zolang de molen in bedrijf was elk jaar een 'recognitie', wij zouden zeggen een belasting, voor de wind betalen. De molenaar was aansprakelijk voor schade aan mens en dier. Hij mocht niet meer geld voor het malen vragen dan de molenaars in de omgeving. Hij moest de molen als zekerheid stellen voor de 'recognitie'. Alles bijeen genomen is dit voor die tijd een verbazend zakelijke en volledige overeenkomst. Moest de molenaar dus eertijds geld voor de wind betalen, later, in ieder gaval vanaf 1793, betaalde de gemeente Limmen elk jaar een recognitie van veertig gulden aan de molenaar "voor de instandhouding van de molen in het belang en ten gerieve van de ingezetenen opdat deze naar behoren zou kunnen blijven malen en werken." U zult nu willen weten wat er sinsdien met de molen is gebeurd, want u weet allen dat er thans op de aangegeven plek geen molen meer staat.
Op 28 januari van het jaar 1916 was de toenmalige en tevens laatste molenaar van Limmen, Piet Wezelenburg nog laat op de avond bezig bij het licht van een stormlamp de molenstenen te billen, d.w.z. de groeven in de molenstenen schoon te bikken en te scherpen. Volgens een aantal mondeling overgeleverde getuigenissen zou hij daarbij van een trap gevallen zijn, waarbij hij een been gebroken zou hebben. De stormlamp is daarbij omgevallen waarna de molen vlam vatte en in vlammen is opgegaan. Van deze dramatische gebeurtenis getuigen nog de notulen van een vergadering van het Witte Kruis die op diezelfde avond plaatsvond. De notulist van de vergadering, Jac. Louter, heeft namelijk in de notulen opgetekend, dat dokter Roos van den Berg, burgemeester Nieuwenhuysen en vele anderen bij de vergadering werden weggeroepen want de molen van Wezelenburg staat in brand. Van de molen is nog een foto bewaard gebleven. Op deze foto, die van omstreeks de laatste eeuwwisseling moet zijn heet de molen de Mol. Deze naam wordt echter door geen enkele andere bron vermeld. Bij het samenstellen van dit artikelje heb ik dankbaar gebruik gemaakt van enige gegevens die mij door Jan de Rooy ter beschikking werden gesteld.